In de begroting van het ministerie van LVVN is de komende jaren extra geld gereserveerd voor agrarisch natuurbeheer (ANB), waaronder voor de uitbreiding van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb). Maar hoeveel daarvan is nou écht zeker? Een duik in de wereld der begrotingen maakt duidelijk dat er verschillende gradaties van zekerheid zijn. Onderstaand een toelichting.

De jaarlijkse begrotingscyclus

Het Nederlandse begrotingsproces kent vier vaste momenten voor formele goedkeuring (autorisatie):

  • Prinsjesdag: presentatie van de rijksbegroting en Miljoenennota. Dit is het formele voorstel van het kabinet aan het parlement voor autorisatie van uitgaven en verplichtingen voor het komende begrotingsjaar;
  • najaar: parlementaire behandeling. De Tweede Kamer behandelt de begrotingen per ministerie en kan amenderen; de Eerste Kamer kan alleen goed- of afkeuren. Alleen na goedkeuring door beide Kamers worden de middelen geautoriseerd;
  • Voorjaarsnota en -besluitvorming: het kabinet presenteert de Voorjaarsnota met bijstellingen van de lopende begroting en een vooruitblik op komende jaren. Hier worden ook nieuwe beleidsintenties zichtbaar, maar voor de jaren na het lopende begrotingsjaar zijn de bedragen nog niet geautoriseerd;
  • jaarafsluiting: in mei van het daaropvolgende jaar wordt de Slotwet aangeboden, gevolgd door dechargeverlening door het parlement (kort samengevat: de jaarlijkse check of het geld goed besteed is, en zo ja, dan wordt er een vinkje gezet).

Drie gradaties van zekerheid

De bedragen die in een begroting staan, zijn niet allemaal even zeker. Er zijn drie gradaties van zekerheid/hardheid (bron: dit fiche van het Ministerie van Financiën):

  1. beleidsmatig gereserveerd: bedragen die wel in de kasreeks staan, maar waarvoor nog geen contracten of formele afspraken zijn. Dit is de zachtste categorie; een volgend kabinet kan deze bedragen zonder juridische consequenties herschikken;
  2. bestuurlijk gebonden: bedragen waarvoor bestuurlijke afspraken of convenanten zijn gemaakt (bijvoorbeeld met provincies). Er is nog geen juridische verplichting, maar wel een politiek-bestuurlijke binding die het terugdraaien lastiger maakt;
  3. juridisch verplicht: zodra er beschikkingen of contracten zijn verstrekt, ontstaat een afdwingbare verplichting. Deze kan niet meer zonder meer worden aangepast.

Een bedrag in de begroting wordt pas een juridische verplichting zodra er een formele basis is richting derden. Dat kan bijvoorbeeld een wet, een ministeriële regeling, een beschikking of een ondertekend contract zijn (Comptabiliteitswet, art. 2.14). Voor subsidies betekent dit: er is pas een verplichting zodra er een beschikking is afgegeven aan een ontvanger. Het bestaan van een een kasreeks in de begroting is dus niet genoeg om het hele bedrag 'juridisch verplicht' te noemen.

Jaarbegroting versus meerjarenraming

Een begrotingscyclus draait primair om het eerstvolgende begrotingsjaar. Daarnaast bevat een begroting een meerjarenraming. Alleen het eerstvolgende begrotingsjaar wordt door het parlement (Tweede en Eerste Kamer) geautoriseerd. Voor de latere jaren geldt in algemene zin:

  • doorlopende 'harde' verplichtingen (zoals meerjarige subsidiecontracten) worden als zekere uitgaven beschouwd;
  • nieuwe beleidsvoornemens vormen geen juridische verplichting en kunnen nog worden aangepast.

De meerjarenramingen voor de jaren na het lopende begrotingsjaar zijn indicatief. Ze geven richting en planning, maar zijn niet formeel geautoriseerd. Dat moet namelijk elk jaar opnieuw gebeuren door de beide Kamers.

Zoals in dit eerdergenoemde fiche wordt toegelicht: "In de regel geldt dat naarmate een raming voor een begrotingsjaar verder weg in de tijd ligt, de mate van onzekerheid, waarmee die raming is omgeven, toeneemt. Verplichtingen- en uitgavenramingen na het eerstvolgende begrotingsjaar en later zijn eerder indicatief-informatief voor het parlement (en in ieder geval geen onderwerp van autorisatie)."

Aan de andere kant heeft het opnemen van middelen in de meerjarenraming wel degelijk betekenis: het legt een politieke intentie vast en maakt zichtbaar dat er - op papier althans - budget voor klaar staat. Alleen zijn die bedragen - zolang er geen bestuurlijke akkoorden of juridische verplichtingen aan hangen -  nog volstrekt niet zeker.

Politiek gewicht van de Voorjaarsnota

Formeel geldt dat alleen het eerstvolgende begrotingsjaar door beide Kamers wordt geautoriseerd; latere jaren zijn ramingen. Toch heeft de besluitvorming via de Voorjaarsnota inmiddels meer gewicht gekregen. Volgens de actuele begrotingsregels ligt het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar, waarbij kabinet en parlement integraal keuzes maken met een meerjarige doorkijk. Daarmee hebben de ramingen uit de Voorjaarsnota een grotere politieke binding dan een louter indicatieve inschatting, al blijven ze juridisch gezien flexibel zolang er geen verplichtingen zijn aangegaan.

Het ANB: 2 tranches met verschillende zekerheid

Voor de extra inzet op ANB is er een verdeling gemaakt in twee tranches.

De eerste tranche (in totaal circa €220 mln. per jaar) is in de Voorjaarsnota 2025 aangekondigd en nu opgenomen in de LVVN-begroting van 2026. Deze begroting moet nog worden geautoriseerd door de Tweede en Eerste Kamer. Normaliter gebeurt dat voor het eind van het jaar, maar gezien de huidige politieke situatie wijst de Raad van State er in haar advies op dat de kans groot is dat de begroting 2026 niet vóór 1 januari zal worden vastgesteld. In dat geval mogen ministers alleen lopende verplichtingen uitvoeren. Dit kan dus potentieel tot vertraging leiden. Zodra in 2026 middelen naar het Provinciefonds worden overgeheveld en er beheercontracten worden afgesloten, worden die verplichtingen juridisch hard én meerjarig, omdat ANLb-contracten doorgaans zes jaar lopen.

Van belang is nog dat er in deze eerste tranche een meerjarig groeipad zit ingebouwd: zo loopt het budget voor uitbreiding van het ANLb op van ca. €83 mln. extra in 2026 tot €173 mln. extra vanaf 2030, zie onderstaande tabel uit deze Kamerbrief:

Artikelcontent

Dat betekent dat de juridische hardheid van dit pad stapsgewijs groeit naarmate in de opeenvolgende jaren nieuwe verplichtingen worden aangegaan:

  • 2026: na autorisatie kan de minister verplichtingen aangaan tot het geautoriseerde bedrag. Zodra het bedrag voor 2026 is overgeheveld naar het Provinciefonds (want die zijn 'regelingseigenaar' van het ANLb) worden die verplichtingen juridisch hard en lopen ze meerjarig door, omdat het ANLb werkt met meerjarige contracten en Europa een no-backsliding-principe hanteert (je mag in een volgend jaar niet minder doen dan het jaar ervoor);
  • 2027 en verder: nieuwe verplichtingen zijn pas weer mogelijk na autorisatie van de begroting voor dat jaar. Voor het deel dat dan gecontracteerd wordt, ontstaat opnieuw juridische zekerheid;
  • Het resterende deel van de reeks houdt de status 'beleidsmatig gereserveerd', tot alles vastligt in juridische verplichtingen.

De tweede tranche (€275 mln. per jaar) is nu weliswaar in de begroting gezet, maar nog niet uitgewerkt in beleid of afspraken. Ook deze middelen hebben dus de status van beleidsmatige reservering, en kunnen dus nog vrij makkelijk worden aangepast. Zie ook onderstaande tabel met bijbehorende disclaimer uit deze Kamerbrief:

Artikelcontent

De politieke context telt

In dit Voortgangsbericht Agrarisch Natuurbeheer van september 2025 van het ministerie staat het volgende: "De middelen voor Agrarisch Natuurbeheer die tijdens de Voorjaarsnota zijn toegezegd (hieronder: Startpakket april 2025), zijn al goedgekeurd door het parlement. Dit betekent dat de financiering voor het agrarisch natuurbeheer en uitvoering door provincies en agrarische collectieven verzekerd zijn van financiële middelen."

Inderdaad staan de bedragen in de begroting en zijn ze onderdeel geweest van de parlementaire besluitvorming. In een politiek stabiele situatie heeft positieve besluitvorming over de Voorjaarsnota extra gewicht, zoals hierboven toegelicht. Nu ligt dat mijns inziens anders: dit demissionaire kabinet treedt af, er komt een nieuwe Tweede Kamer en een nieuw kabinet dat mogelijk andere keuzes wil maken. Dat zet alle eerdere besluitvorming toch in een iets ander licht. Er is in de huidige Kamer brede steun voor agrarisch natuurbeheer, en het ligt niet voor de hand dat die steun volledig wegvalt. Maar er is wel een reële kans dat de prioriteiten verschuiven en dat een nieuw kabinet de middelen iets anders wil inzetten of herschikt.

Wat betekent dit voor de uitbreiding van het ANLb?

De ambitie om het ANLb uit te breiden naar 280.000 hectare is stevig, maar de financiële basis is nog wankel. Het meest zekere deel betreft het extra budget voor 2026. Dat komt doordat:

  • provincies is toegezegd dat de extra middelen via een decentralisatie-uitkering (DU) naar het Provinciefonds worden overgeheveld. Daarmee is ook een indirecte toezegging gedaan aan de 40 agrarische collectieven die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en het afsluiten van beheercontracten met deelnemers;
  • in de uitwerking van de Contourenbrief een concreet doel van circa 30.000 hectare uitbreiding in 2026 is gecommuniceerd;
  • uitvoerende organisaties, zoals collectieven en ondersteunende bureaus, hun werkorganisaties al uitbreiden ter voorbereiding.

Deze factoren zorgen ervoor dat de middelen voor 2026 politiek en bestuurlijk stevig zijn verankerd, ook al ontstaat juridische hardheid pas na de overheveling naar het Provinciefonds en de uiteindelijke beschikkingen en contracten.

Voor de jaren daarna is de situatie minder zeker. Van de resterende middelen uit de eerste tranche kan worden gezegd dat de eerdere behandeling van de Voorjaarsnota enige mate van vertrouwen biedt, maar daadwerkelijke zekerheid komt pas met goedkeuring van de jaarlijkse begrotingen én het aangaan van juridische verplichtingen. Noot: zoals in de comments terecht is aangegeven, is de uitbreiding van het ANLb voor 2026 en 2027 opgenomen in het Nationaal Strategisch Plan. Dat betreft afspraken die met de Europese Commissie zijn gemaakt, dus dan is er sprake van een bestuurlijk gebonden verplichting.

De tweede tranche is het meest kwetsbaar. Het gaat om nieuwe beleidsvoornemens van een demissionair kabinet met een smalle parlementaire basis, terwijl verkiezingen en een nieuwe kabinetsformatie op komst zijn.

Conclusie

Voor beleidsmakers, collectieven en deelnemers betekent dit dat de extra inzet op agrarisch natuurbeheer en daarmee ook de verdere uitbreiding van het ANLb nog allerminst een gelopen race zijn. Ja, er is brede politieke steun voor agrarisch natuurbeheer, en een meerderheid van de Tweede Kamer heeft afgelopen donderdag expliciet uitgesproken dat onder andere natuurherstel geen vertraging mag oplopen. Dat wekt de verwachting dat ze komende dinsdag tégen controversieel verklaren van de uitwerking van de Contourenbrief ANB zullen stemmen (wat de vaste Kamercommissie heeft voorgesteld). (Update: inderdaad heeft de Tweede Kamer het niet controversieel verklaard 👍🏻.) Maar papieren steun is nog geen harde zekerheid. Het waarmaken van alle ambities op dit vlak vraagt om blijvende politieke en bestuurlijke inzet.

Een nieuw kabinet zal onvermijdelijk keuzes moeten maken en die keuzes kunnen grote gevolgen hebben voor provincies, collectieven en boeren. Maar één ding is zeker: wie kiest voor uitstel of afstel schaadt niet alleen de natuurdoelen, maar ook het vertrouwen in de overheid als betrouwbare partner. Hoog tijd om die mooie cijfers om te zetten in daden.

Tot slot: deze analyse is het resultaat van mijn eigen persoonlijke deep dive in de begrotingswereld (en een oceaan van documenten 🤓), want ik wilde weten hoe het zit. Maar één deep dive maakt me natuurlijk nog geen begrotingsdeskundige (veel te blauw voor mij 😅), dus onderbouwde aanvullingen of correcties zijn welkom.

Gepubliceerd in ANLb