Van basiszorg naar gebiedskwaliteit: de missende schakels tussen boer en gebied

Ons landbouwbeleid is in de afgelopen decennia steeds verder aan het opschuiven van steun voor productie naar steun voor groenblauwe diensten die boeren leveren. Tegelijkertijd is er een verschuiving gaande van maatregelsturing naar resultaatsturing. Die verschuiving dwingt ons om na te denken over waar we op sturen, hoe we sturen en op welk niveau.

In dit artikel schreef ik al eens dat een gezonder voedselsysteem pas echt van de grond zal komen als we allemaal een stukje verplichte basiszorg leveren - van boer tot consument, van supermarkt tot overheid. Van boeren mogen we verwachten dat zij op hun eigen bedrijf zorg dragen voor een gezond bodem- en watersysteem en voor een bepaalde basiskwaliteit natuur (basiszorg), zie ook dit artikel. Die verantwoordelijkheid hoort bij goed vakmanschap en het waarborgen van een toekomstbestendig bedrijf. Want de realiteit is dat boeren - om voedsel te kunnen blijven produceren - ook afhankelijk zijn van een goed functionerend agroecosysteem. Maar de inzet die vérder gaat dan die basiszorg verdient een eerlijke beloning.

Drie knoppen om aan te draaien

Om daadwerkelijk zoden aan de dijk te zetten, moeten we gelijktijdig aan drie knoppen draaien die samen bepalen hoe duurzaam het landbouwsysteem kan en zal functioneren:

  • van het beperken van schade naar het leveren van basiszorg: naleving van wettelijke ondergrenzen en duurzame landbouwpraktijken die drukfactoren wegnemen;
  • van lineair naar circulair: het in balans brengen van inputs en outputs en het zoveel mogelijk sluiten van kringlopen;
  • van productie van voedsel naar productie van voedsel én natuur: het actief versterken van natuur- en landschapswaarden in het agrarisch gebied (gebiedskwaliteit).

Deze drie knoppen grijpen op elkaar in en zijn elk onmisbaar, maar de juiste stand en gevoeligheid verschillen per bedrijf en gebied. In het ene gebied is het verminderen van drukfactoren het meest urgent; in het andere de versterking van habitatkwaliteit voor specifieke soorten. De ene boer start bij optimalisatie van de bedrijfsvoering; de andere bij het versterken van natuurwaarden. Maar in alle gevallen geldt: zonder goede basiszorg blijft investeren in herstel en versterking van de natuur dweilen met de kraan open. En juist door gelijktijdig aan deze knoppen te draaien, kunnen ze elkaar versterken.

Sturen op bedrijfs- en gebiedsniveau moet hand in hand gaan

Via duurzame landbouwpraktijken (de huidige 'goede landbouw- en milieucondities' in relatie tot het GLB) leveren boeren al een bepaalde basiszorg ten behoeve van bodem, water en klimaat. De staatssteunregels stellen het voldoen aan wet- en regelgeving en deze duurzame landbouwpraktijken als eis om in aanmerking te komen voor overheidssteun. Die basiszorg hoort erbij, want die is niet alleen nodig om de doelen te kunnen halen, maar ook om de eigen bedrijfsvoering duurzaam voort te kunnen zetten.

Deze basiszorg kan prima op bedrijfsniveau georganiseerd en gemonitord worden. Maar bepaalde maatschappelijke doelen kunnen pas gerealiseerd worden als bedrijven in een bepaald gebied samen voldoende inspanningen leveren. Zo hangt natuurkwaliteit af van de schaal, samenhang, ruimtelijke clustering en - last but not least - de continuïteit van het beheer in een gebied. En dat realiseren vereist sturing op gebiedsniveau in plaats van op (losse maatregelen op) bedrijfsniveau.

Resultaatsturing als gemeenschappelijke taal en stimulans

De beweging van maatregelsturing naar doelsturing, of - beter gezegd - resultaatsturing roept soms scepsis op. In deze column werd onlangs nog gewaarschuwd dat 'doelsturing een groter gevaar is dan het hele PAS-debacle', omdat emissies van ammoniak of lachgas in de praktijk niet betrouwbaar meetbaar zijn. De analyse legt bloot dat juridisch afdwingbare resultaatsturing absolute meetbaarheid veronderstelt. Maar dat perspectief verengt sturing teveel tot controleerbaarheid en meetbaarheid.

Je kunt prima op resultaten sturen door kritische prestatie-indicatoren (KPI's) te gebruiken. Deze zijn niet bedoeld als juridische bewijslast, maar als instrument om inzicht te bieden in behaalde resultaten. Ze maken zichtbaar hoe individuele bedrijven bijdragen aan publieke doelen; niet om hen daar vervolgens op af te rekenen, maar om de behaalde resultaten financieel te waarderen. Zie ook dit en dit eerdere artikel.

Deze landelijke kernset KPI's biedt een gemeenschappelijke basis om mee te werken en al doende te leren. Deze indicatoren zijn gericht op het schaalniveau waar boeren de meest directe invloed op hebben: ze meten behaalde resultaten op het vlak van bodem, water, klimaat, landschap en biodiversiteit op bedrijfsniveau. Deze resultaten zijn - samen met de resultaten van andere boeren en grondeigenaren in een gebied - de bouwstenen van resultaten op gebiedsniveau. Maar om te weten of die bouwstenen samen leiden tot de benodigde veranderingen in de toestand van bodem, water, klimaat en biodiversiteit op gebiedsniveau zijn impactindicatoren op gebiedsniveau nodig. Die tonen de effecten van de gezamenlijke inspanningen van meerdere actoren, beïnvloed door omstandigheden die geen enkel bedrijf individueel in de hand heeft.

KPI's en impactindicatoren vervullen dus verschillende, maar complementaire functies:

  • KPI's op bedrijfsniveau maken individuele vooruitgang zichtbaar op het schaalniveau waar individuele boerenbedrijven de meest directe invloed op kunnen uitoefenen. Deze bedrijfsresultaten zijn de bouwstenen van resultaten op gebiedsniveau;
  • impactindicatoren meten de cumulatieve, collectieve voortgang/effecten op gebiedsniveau: resultaten die ontstaan door de gezamenlijke inspanningen van meerdere actoren in dat gebied. Individuele boeren kunnen hier niet rechtstreeks op afgerekend worden. Zij hebben niet in de hand wat anderen doen en bovendien zijn er ook externe factoren van invloed op de natuurkwaliteit.

Zowel bedrijfs-KPI’s als impactindicatoren zijn nodig om te kunnen bepalen of de geleverde inspanningen leiden tot de gewenste resultaten en waar eventueel bijsturing nodig is. Maar resultaatsturing draait niet om het kunnen meten van alles tot tien cijfers achter de komma. Het draait om een gemeenschappelijke taal over wat vooruitgang, resultaat en kwaliteit betekenen, zodat we daar gericht op kunnen sturen.

Van afgebakende domeinen naar functionele clusters

Er wordt vaak gesproken over bodem, water, klimaat, landschap en biodiversiteit als min of meer afgebakende opgaven. In werkelijkheid functioneren ze binnen één systeem waarin processen elkaar voortdurend beïnvloeden. Organische stof in de bodem bepaalt niet alleen de vruchtbaarheid, maar beïnvloedt ook waterbuffering, klimaatmitigatie en bodembiodiversiteit. Bodembedekking voorkomt erosie, verbetert de bodemkwaliteit en biedt schuilplekken en voedsel voor soorten.

Zulke onderlinge afhankelijkheden maken het logischer om niet in sectorale opgaven te denken, maar in functionele clusters van processen die elkaar in stand houden en versterken. Door te kijken naar hun functie in het agro-ecosysteem wordt multifunctionaliteit het uitgangspunt. Dat dwingt ons te sturen op samenhang in plaats van op afzonderlijke doelen. Hoe de feedbackloop tussen individuele prestaties en collectieve impact eruitziet, verschilt vervolgens per cluster.

Voor elk cluster geldt: er zijn bedrijfs-KPI’s en er zijn impactindicatoren. Maar de schakel tussen beide - een systematische koppeling die laat zien of behaalde resultaten ook de beoogde impact hebben - ontbreekt nog.

1. Bodem als fundament

  • Functie: draagvlak voor productie, buffer voor water en nutriënten, koolstofopslag. De bodem is het fundament waarop alle andere functies rusten. Hij 'draagt' productie, buffert water en nutriënten en slaat koolstof op. De bodemkwaliteit bepaalt het productievermogen, de waterbuffering, de bodembiodiversiteit én het vermogen tot klimaatmitigatie;
  • Bedrijfs-KPI's: bodemorganische stof, bodembedekking en waterbalans;
  • Missende schakel: bodemkwaliteitskaarten die inzicht bieden in de effecten op gebiedsniveau (erosiebestrijding, waterbuffering, CO2-vastlegging);
  • Impactindicatoren: voorraad bodemorganische stof (geaggregeerd), bodemstructuur, bodembiodiversiteit, waterbergend vermogen (gebiedsgemiddelde), netto koolstofvoorraad in de bodem;
  • Uitdaging: bodemkwaliteit wordt wel gemeten, maar nog niet structureel door de tijd gemonitord. Daardoor ontbreekt inzicht in welke vormen van beheer het meest bijdragen aan verbetering, en hoe snel die verbetering optreedt. Dat maakt leren en bijsturen lastig. Niet voor niks is recent een Europese richtlijn voor bodemmonitoring aangenomen.

2. Nutriëntenkringlopen

  • Functie: efficiënt gebruik van voedingsstoffen, minimaliseren verliezen naar water en lucht, zoveel mogelijk sluiten van kringlopen. Stikstof en fosfaat zijn de kritische bottlenecks voor waterkwaliteit en eutrofiëring. Nutriëntenmanagement is het meest directe sturingsmechanisme, omdat emissies naar lucht (ammoniak) en naar water (nitraat, fosfaat) twee uitingen zijn van hetzelfde proces: verliezen van nutriënten uit het landbouwsysteem;
  • Bedrijfs-KPI's: stikstofbodemoverschot, fosfaatoverschot, ammoniakemissie, milieubelasting gewasbeschermingsmiddelen en kringloopsluiting;
  • Missende schakel: een causale koppeling die laat zien hoe bedrijfsprestaties (lagere overschotten, lagere emissies) zich vertalen in gebiedseffecten, rekening houdend met externe bronnen, historische belasting en hydrologische of atmosferische processen;
  • Impactindicatoren: nitraatconcentratie in grondwater, fosfaatconcentratie in oppervlaktewater en nutriëntenbelasting van kwetsbare natuurgebieden;
  • Uitdaging: de huidige monitoring levert waardevolle data, maar is te grofmazig en te sterk afhankelijk van modellen om herkomst en effecten van nutriëntenoverschotten en emissies goed te kunnen duiden. Daardoor ontbreekt de causale koppeling tussen bedrijfsniveau en gebiedseffecten, en worden verbeteringen pas na jaren zichtbaar door tijdsvertraging en nalevering vanuit de bodem.

3. Klimaatregulatie

  • Functie: minimaliseren broeikasgasemissies, vastleggen CO2, energietransitie. Klimaat speelt op globale schaal maar maatregelen zijn lokaal. Broeikasgassen (methaan, lachgas, CO2) hebben verschillende bronnen, maar één effect. Koolstofvastlegging in bodem en biomassa is temporeel en onzeker. Energiegebruik en emissies zijn sterk verbonden via fossiele brandstoffen;
  • Bedrijfs-KPI's: broeikasgassen, energiebalans en bodemorganische stof;
  • Missende schakel: robuuste methodologie om koolstofvastlegging te meten, netto-klimaatbalansen op gebiedsniveau te berekenen en emissies te vertalen naar klimaateffect;
  • Impactindicatoren: netto broeikasgasemissie (CO₂-equivalenten per ha of per regio), netto koolstofvoorraad in bodem en biomassa, aandeel hernieuwbare energie in agrarische productie, energie-efficiëntie per hectare;
  • Uitdaging: emissies zijn relatief goed te modelleren (IPCC-rekenregels, KLW). Koolstofvastlegging in bodem en biomassa is waardevol, maar moeilijk te meten, instabiel en sterk afhankelijk van weer en beheer. Bovendien: klimaateffect speelt mondiaal, dus lokale maatregelen zijn moeilijk te koppelen aan impact.

4. Biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit

  • Functie: het bieden van leefgebied aan soorten, het waarborgen van ecologische samenhang en connectiviteit, en het onderhouden van landschapsbeleving en cultuurhistorie. Juist hier is de afstand tussen bedrijfsmaatregelen en impact op landschapsschaal het grootst. Biodiversiteit en landschap zijn ruimtelijk én temporeel verweven: de landschapsstructuur bepaalt de habitatkwaliteit en effecten worden pas zichtbaar op grotere schaal en na verloop van tijd. Populaties reageren traag op habitatverbetering, en zowel landschap als biodiversiteit combineren objectieve (structuur, soorten) en subjectieve (beleving) dimensies;
  • Bedrijfs-KPI's: gewasdiversiteit, aandeel kruidenrijk grasland, aandeel agrarisch natuurbeheer en aandeel groenblauwe dooradering (de laatste drie enkel kwantitatief);
  • Missende schakel: habitatkwaliteit op gebiedsniveau (samenhang, connectiviteit, geschiktheid leefgebieden voor doelsoorten) die meer directe en snellere feedback geeft dan populatietrends;
  • Impactindicatoren: habitatkwaliteit (geschiktheid en connectiviteit van leefgebieden), populatietrends van boerenlandsoorten (vogel-, insecten- en plantensoorten), en landschapskwaliteit (structuurdiversiteit, mate van samenhang (connectiviteit));
  • Uitdaging: populatiemonitoring bestaat (NEM/SNL), maar de tussenlaag van habitatkwaliteit, de schakel tussen beheermaatregelen en populatie-effecten, wordt niet structureel gevolgd. De landschappelijke kwaliteit is deels objectief meetbaar (via GIS), deels normatief (welk type landschap we nastreven) en deels participatief (hoe mensen het beleven). Over wat ‘kwaliteit’ precies inhoudt, bestaat geen consensus, en systematische monitoring ontbreekt. Daardoor is er nog geen causale koppeling tussen bedrijfs-KPI’s en effecten op gebiedsniveau.

De missende schakels vereisen extra informatie

Wat in alle clusters in meer of mindere mate ontbreekt, is een systematische verbinding tussen wat boeren presteren op bedrijfsniveau en wat dat oplevert aan gebiedskwaliteit. Zonder die verbinding weten we niet in hoeverre we de juiste dingen (goed genoeg) doen. De aard van die missende schakel verschilt per cluster. Bij bodem gaat het om dynamische monitoring en de koppeling van metingen aan bedrijfsdata. Bij nutriëntenkringlopen draait het om causale toerekening en het juiste schaalniveau. Bij klimaat is het vraagstuk vooral methodologisch en temporeel: vastlegging is moeilijk meetbaar en niet permanent. En bij biodiversiteit en landschap is het zowel ecologisch (de tussenlaag van habitatkwaliteit) als normatief (de vraag wat we onder 'kwaliteit' verstaan).

Bij biodiversiteit is de missende schakel wellicht nog het meest duidelijk, en de invulling daarvan nog in ontwikkeling. De koppeling tussen wat boeren doen en wat dat ecologisch oplevert, vraagt om een tussenlaag van informatie: de condities van het leefgebied. In de monitoring van natuurinclusieve bedrijven (WUR 2023) wordt dit zichtbaar gemaakt via drie niveaus: beheermaatregelen, condities en soorten. Ook hier is het schaalvraagstuk bepalend. Soorten met een beperkte actieradius (bodemfauna, vegetatie, insecten) zijn nog op bedrijfsniveau te volgen, terwijl mobiele soorten,  zoals vogels, pas op grotere schaal zinvolle patronen laten zien. Juist die schaalovergangen vragen om indicatoren op gebiedsniveau.

Tegelijkertijd blijft het lastig om de stap van kwantiteit naar kwaliteit te maken. Het onderscheid tussen maatregelen, directe resultaten en uiteindelijke impact blijft diffuus. Zo plaatst de WUR in het eerdergenoemde rapport indicatoren als aandeel kruidenrijk grasland of natuur- en landschapselementen onder 'resultaten', terwijl ze in feite slechts output meten: de kwantiteit van leefgebied en niet de kwaliteit ervan. Hetzelfde gebeurt op Europees niveau, waar veel zogenoemde 'resultaatindicatoren' die gebruikt worden voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid feitelijk outputindicatoren zijn, omdat ze enkel rapporteren over het aandeel landbouwgrond waarop een interventie wordt uitgevoerd. De ecologische waarde van dat areaal hangt echter af van het type beheer, de intensiteit, de samenhang op gebiedsniveau en de continuïteit in de tijd.

De governance-paradox: individuele verantwoording voor gezamenlijke doelen

Dit brengt ons bij een fundamentele bestuurlijke vraag: wie draagt verantwoordelijkheid voor gebiedsresultaten die alleen collectief te realiseren zijn; resultaten die voldoende deelname, beheer van voldoende omvang, intensiteit en samenhang vereisen? Individuele boeren dragen verantwoordelijkheid voor hun eigen beheer en zorg voor hun directe omgeving, maar het is niet rechtvaardig om hen af te rekenen op resultaten die zij slechts deels kunnen beïnvloeden. Gebiedskwaliteit ontstaat pas in samenhang: uit de optelsom van inspanningen van meerdere bedrijven, keuzes en omstandigheden. Je kunt een boer niet afrekenen op waterkwaliteit die ook afhangt van tientallen buren, historische bodembelasting en hydrologische processen buiten zijn of haar invloedssfeer. Tegelijkertijd blijft het realiseren van gebiedskwaliteit zonder gedeelde - en dus ook een stukje individuele - verantwoordelijkheid een te vrijblijvend streven.

Enkele concrete vragen die een antwoord nodig hebben:

  • hoe om te gaan met free riders die wel profiteren van gebiedsresultaten maar niet (evenredig) bijdragen?
  • hoe om te gaan met boerenbedrijven die wel basiszorg leveren, maar niet deelnemen aan een collectieve samenwerking?
  • kunnen we resultaatsverplichtingen opleggen aan vrijwillige samenwerkingsverbanden zonder hun karakter te veranderen?

Voor natuur en landschap vervullen de agrarische collectieven hierin al een cruciale rol, maar hun bereik blijft vooralsnog beperkt. Het huidige stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) beslaat ongeveer 6 procentvan alle landbouwgrond in Nederland. Over het precieze percentage valt te twisten, maar dat het te weinig is, staat buiten kijf. In 2022 is becijferd dat een verzesvoudiging van het huidige areaal nodig zou zijn om de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn binnen bereik te brengen.

Los daarvan is de formele rol van de collectieven momenteel beperkt: zij richten zich nu hoofdzakelijk op één onderdeel van een veel bredere opgave. Wel heeft het model de potentie om uit te groeien tot een samenwerkingsbasis voor het realiseren van integrale gebiedskwaliteit, mits het de nodige continuïteit, mandaat en financiering krijgt. Dat vraagt meer dan alleen langjarige financiële zekerheid. Het vereist ook helderheid over onder andere:

  • de wijze waarop gebiedsresultaten worden toegerekend aan inspanningen op bedrijfsniveau;
  • de verhouding tussen vrijwillige deelname en collectieve resultaatsverplichtingen;
  • de werkwijze van monitoring van zowel bedrijfs-KPI’s als impactindicatoren;
  • de mechanismen om waardering van collectieve prestaties te vertalen naar waardering van individuele prestaties; en
  • uitbreiding van mandaat en capaciteit.

Van vergoeding naar waardering

De beweging van ‘de vervuiler betaalt’ naar ‘de verzorger wordt beloond’ markeert een verschuiving in de toekenning van waarde. Het gaat erom dat boeren beloond worden voor de publieke waarde die zij creëren. Dat vraagt om een model dat onderscheid maakt tussen drie niveaus:

  • verplichte basiszorg: de naleving van wettelijke ondergrenzen, gemeten via de drempelwaarden van bedrijfs-KPI’s (license to produce);
  • systeemverbetering: beloning voor aantoonbare verbeteringen van het bedrijfssysteem, gemeten via de streefwaarden van KPI’s;
  • natuurversterking: beloning voor aantoonbare verbeteringen op gebiedsniveau, gemeten via impactindicatoren.

Oproep: investeer in die missende schakels

De stap van basiszorg naar gebiedskwaliteit vereist een verschuiving:

  • van naleving naar resultaten;
  • van compensatie naar beloning;
  • van individueel naar collectief;
  • van bedrijfsniveau naar gebiedsniveau.

We beschikken al over de bouwstenen. Wat ontbreekt, zijn de missende schakels die ze met elkaar verbinden. We hebben een rechtvaardig en werkbaar model nodig om collectieve verantwoordelijkheid te organiseren, zonder individuele agrariërs te belasten met resultaten die zij slechts beperkt kunnen beïnvloeden. Zo’n model bestaat uit bedrijfs-KPI’s (als gemeenschappelijke taal en basis voor waardering), impactindicatoren (voor monitoring), en een organisatiestructuur die beide verbindt.

Zolang er geen antwoord is op de governance-vraag, en geen systematische monitoring van die verbindingen, blijft van basiszorg naar gebiedskwaliteit een ambitie zonder realistisch uitvoeringspad. Dan ontbreekt echter de sturing uit het woord 'resultaatsturing'.

De uitdaging is niet dat we dit nog moeten ontdekken, maar dat de infrastructuur voor die gezamenlijke verantwoordelijkheid grotendeels ontbreekt: in data, in financiering, in rolverdeling. Investeren in die missende schakels betekent daarom investeren in relaties, in leercycli, in organisatie. Alleen dan kunnen we de belofte van resultaatsturing waarmaken: beter sturen op resultaten én op doelbereik.